Journals

Fourth Journey (MS 107/3/1-2)

29th October 1779


transcription

[29th October 1779]
29

oostelyke wind goed weer dog warm de wind liep door het noorden fris, met de son, en stil met den avond,

verloren Schoenmaker, die vooruit ons voorby gelopen was, daar wy seer om sogten en verlegen waren. hy kwam eerst ten twe uren den 30 by ons.
leenden twe draagossen van de geissiqua en drie hunner gingen met ons mede wy lieten onse draag ossen paarden en een van ons volk om die optepassen by dese craal, nemende niets mede als onse jassen tabak en kralen, wy marcheerden, oostelyk een klippig pad langs de rivier, die hier en arriveerden na vyf en een half uur fris marcherens aan de twede deel der geissiqua die over de rivier lagen die hier in eene fraaye stroom door hoge klipruggen liep sy was als de maas by maastrigt aan de brug breed. het craals volk, op het roepen van eiheep schreeuwde tabee, aan de oversyde dog wilden op het schreeuwen van hunne landsluiden niet over komen, twe van die namen ieder een willige droge stomp tussen de benen en swommen dus met hunne assagaayen over. in tien minuten waren sy over. schoon er een zeekoei lag te blasen. dit toond dat die dieren in het generaal geen menschen in het water soeken, dog wel als sy gejaagt worden. sagen buffelspoor en coedoes, en geen oliphanten of cameelpaardenspoor.
een onser geissiqua schoot een vis met syn assagaay die by het gras springhanen vong. sagen veel eendvogels schoten er enigen sy waren tranig.

translation

[29th October 1779]
29

Easterly wind. Good weather but hot. The wind veered to the north, was brisk during the day and calm in the evening.

We lost Schumacher who had walked ahead and past us. We looked hard for him and we were at a loss. It was two o’clock on the thirtieth before he came back to us.
We borrowed two pack-oxen from the Geisiquas and three of them came along with us. We left our pack-oxen, horses and one of our people to look after them at this kraal, taking nothing but our coats, tobacco and beads. We walked in an easterly direction on a stony track beside the river and after a brisk walk of five and a half hours reached the second group of Geisiquas, who live across the river, which at this point forms a fine flow of water between high stony ridges. It was as wide as the Meuse at the bridge in Maastricht. When Eiheep shouted at them, the people of this kraal yelled “Tabee” from the other side but would not cross over at the shouting of their countrymen. Two of them each put a dry willow log between their legs and in this way swam across with their assegais. In ten minutes they had crossed, although a hippopotamus lay there snorting. This shows that in general these animals do not go for people in the water but will when hunted.
Saw buffalo spoor and kudu but no elephant or giraffe spoor. One of our Geisiquas who had caught grasshoppers in the grass, speared a fish with his assegai. Saw many duck. Shot some of them. They were oily.