Journals

Second Journey (MS 107/1/1-2)

20th October 1777


transcription

[20th October 1777]
den 20

maandag namen na den eten om half twe onse reis weder aan, langs de grote keten bergen eert Oost z oost en zuidoost tot over de buffelyagts rivier, passeerdende eerst appelsbos, een half uur van Swellendam, een boere plaats behorende aan de landrost. dese buffelyagts rivier komt uit het canna land door de bergen de zogenaamde tradouw een voet pad over de grote keten ses uren oost ten noorden van swellendam
zy loopt westelyk tot by omtrent appelsbos, dan neemt zy weer een slinger zuidelyk en loopt in de brede rivier, zy word in regens zeer gevaarlyk door de snelle stroom en klippen, en wanneer het sterk regent impassabel, dog loopt schiellyk af. men passeert deselve een anderhalf uur o z o van swellendam, waarna men om de na de rietvaley de Compagnies post te gaan oost ten n langs de bergen opsteekt latende het grote wagenpad aan de regter hand. zo dat wy een uur uit de weg reden door dit te versuimen. dog wetende dat de post by de bergen lag quamen wy omtrent ses uren aan de post. na dat wy door een oude hottentots vrouw die wy digt by de post in de ruggens rencontreerden de weg gewesen wierden

saagen enige bonte bokken zogenaamde wilde paauen en twe craanvogels. hier onthouden zig enkelde leeuwen. dese rietvaley legt in een dal digt onder de grote keten bergen vier uren oost ten noorden van swellendam. heeft een Corporaaal en vyf man, was aan gesegt om de hottentotten te bedwingen, is nu een veeplaats en haalden hout in het grootvaders bos dat 5 uren oost ten noorden langs het gebergte legt. hier by dese post leggen nog enige weinige hottentotten; eer men de buffeljagts rivier by appelbos overgaat, vind men een oude battaille plaats der

hottentotten, waar men de verslagenen onder hopen steenen begraven heeft, zo als by hun om de wilde dieren vooral de hyaenas gebruikelyk.
wy konden er niets dan verspreide keien zien. in het hottentots hiet men dit áangoe ḱoe of vegtplaats

zag enige hottentotten een spel spelen, dat men hier te lande hottentots kaarte spel noemt. dog zy hieten het ǵai. het is aardig om te zien en komt in het eerst imand onverstaanbaar voor, dog by onderzoek vond het zeer duidelyk.
zy verdelen zig in twe ryen, ieder van vyf of zes meer en minder [inserted:] somtyds zittende zomtyds staande so zy willen
ieder krygt een dun stokje omtrent een duim lang, hietende ǵai hi hi betekent stok, om het zo veel beter te verbergen; eene party begint een voor een, de andere ry, met een zoort van gebrom en gesang, tegen den eesten die tegen hem overstaat begindende uittedagen, en singt eerst blasende dan bruisende met de lippen veu: brr: ho camêi, hebbende gene betekenis als van van aanmoediging, zo ver ik kon te weten komende, enigen die de hollanders kaarten hadden zien spelen, zeiden het betekende zo veel als troef, dog zy wisten niet wat troef was. het heele spel is, dat degene die uitdaagt na dat zy, ieder zyn hunne stokjes met vele draayen van lighaam en handen, om de party te misleien, ieder zyne handen digt in malkanderen houdende, de uitdager de zyne van een scheid, moet de andere zulks ensgelyks doen, dan toont hy in welke hand zyn stokje, tussen de ene of andere vinger is, is nu zyn party stokje ook in deselve hand, namelyk byvoorbeelt in de regterhand heeft het een uitdager en de party ook in de regterhand wind het de uitdager, dog als het stokje van de uitdager in de regterhand is en de party in de linkerhand, dus tussen elkanderen over verliest hy het, zy spelen meest om niet brommende zingende draayende, springende, dan serieus dan vrolyk alle te zamen, dog zomtyts om dagga, hunne tabak dog spelen nooit zulk grof spel als in de kleine societeit in den haag
[annotated on page 25:] den 20 ther om agt s'morg: 62 middag 65 s'avons om 6 63 bewolkte lugt koele westewind

translation

[20th October 1777]
The 20th, Monday

Thermometer: 62 degrees at 8 o'clock in the morning. 65 degrees At midday. 63 degrees at six in the evening. Cloudy sky, cool west wind.

At half past one, when we had eaten, we resumed our journey, along the great chain of mountains, first east south-east and south-east until we crossed the Buffeljagt River, first passing Appelsbos, a farm belonging to the Landdrost half an hour from Swellendam. This Buffeljagt River comes from Cannaland through the mountains by the so-called Tradouw, which is a foot-path over the large chain six hours east by north of Swellendam. The river then runs west until about Appelbos where it makes a loop to the south and flows into the Brede River. It is very dangerous in the rainy season on account of its swift current and stones and is impassable in heavy rains, but subsides rapidly. One crosses the same about half an hour east south-east of Swellendam, whereafter, in order to go to the Company's Post at Rietvlei, one goes east by north along the mountain, leaving the main wagon-road on one's right; so that we travelled an hour away from the road for ignorance of this. Yet, knowing the post lay close to the mountain, and after having been shown the way by an old Hottentot woman whom we met in the hills near the post, we arrived there at six o'clock.
We saw some bontebok, some so-called wild peacock and two cranes. A few lions frequent this part.
This Rietvlei lies in a valley, right under the large chain of mountains, four hours east by north of Swellendam. Has a Corporal and five men; was established to control the Hottentots and is now a stock-farm; and they fetch wood from the Grootvadersbos which lies five hours east by north along the range. There are still a few Hottentots left here at this post. Before one crosses the Buffeljagt River at Appelsbos one comes upon an old Hottentot battleground where the slain have been buried under heaps of stones, used by them to keep off wild animals, especially hyenas. We could see nothing other than scattered pebbles. It is called Aangoe Koe in Hottentot, meaning fighting-place.)
Saw some Hottentots playing a game which people in this country call 'Hottentot-cards'. But they call it 'Gai'. It is charming to watch and at first appears incomprehensible but on investigation I found it very clear. They divide themselves into two rows, each consisting of five or six, more or less, sometimes sitting and sometimes standing, as they prefer. Each man gets a thin little stick about an inch long in order the better to conceal it, which is called Gai hi hi, meaning 'stick'.
One group begins, one after the other, to challenge the other row with a sort of growling and singing sound, each man starting with the one who stands opposite him. They sing, first blowing and then droning through their lips thus: 'veu brr, ho caméi!' which has no meaning other than as an encouragement, so far as I could establish. (Some of them who had seen Dutchmen playing cards said it meant the same as 'Trumped!' but they had no idea what 'Trumped!' meant.) The game goes as follows: that the challengers after each has kept his stick in his clasped-together hands with many turns of body and hands to confuse his opponent, then parts his hands from each other, and the opponents must do the same. He then shows which hand his stick is in, between one or other of his fingers. But if his opponent’s stick is now also in the same hand, for example in the right hand, that is to say the challenger and the opponent also in the right hand, the challenger wins. But if the challenger's stick is in the right hand, and the opponent’s is in the left hand, and thus opposite each other, he loses it.

Mostly they play for nothing, buzzing, singing, twisting, jumping; sometimes serious sometimes jolly, all at the same time; however they do sometimes play for dagga, which is their tobacco, but they never play such coarse games at the “Kleine Societeit” club at The Hague.