Journals

Second Journey (MS 107/1/1-2)

19th December 1777


transcription

[19th December 1777]
den 19

hebben niets vernomen, onse wagt is desen nagt alert geweest. de langbenen hebben ons geplaagt, het heeft gedauwt met aangenaam koel weer, onse geweren in de tent zeer vogtig. dezen morgen jankte een jakhals digt by ons in het riet. en wy hoorden als het geschreew van menschen
schoon weer frisse noordewind vertrokken noord aan, het veld is hier heuvelagtiger als agter sneeuwberg, schoon men altoos door meest langsaam rysende velden trekt ziet overal men zelfs den horisont in het n:w: en westen altoos op enige distantie met klip heuvels gesloten, aan de regterhand ziet men (de punt van bamboes gebergte gepasseerd zynde), in het n t o weer een diergelyk gebergte dat, alles na malkanderen gelykt ook van hoogte, en alles aan een schynt te zyn dog geen regelmatige keten maakt, schoon de stratas alle horisontaal zoeken te zyn. met punten en platten als van allerly soort.

sagen twe bosverkens, enige hartebeesten en elanden. de mieren hier, maken zeer veel spitse punten omtrent een voet lang op hunne ronde hopen, dat nergens anders gesien heb. laten hier drie soutpannen een grote dagreisens te paart na het zeggen der hottentotten in het westen, agter sneeuwberg, daar de boeren hun zout halen, zynde alles fyn, als het regenwater er maar agt dagen in staat, heeft men zout, passeerde dese morgen ook een plaats, daar het zout uit de grond sloeg

twe van ons na enige caapse elanden gereden zynde, zagen een hond, die agter hun spoor liep klein met spitse oren en die niet blafte, waar na zy een wilde hottentot in het riet zagen zitten, zy riepen hem, en wilden hem tabak geven, dog hy bleef stuurs sitten kyken wilde niet komen nog spreken hy op de jagt zynde, wilden zy nie risqueren een vergifte pyl, doe hy ter eersten uit vrees zou schieten, te krygen, en reden weg, het speet my seer, hem niet te hebben kunnen krygen dog was op een heuvel om te peilen, en sy quamen niet voor de middag by ons.

spanden tegen over een spitse alleenstaande berg uit, die de toren van babel noemde, hy was van de hoogte der platte bamboes berg, zag hier dat het blaauwe gebergte dat desen morgen sag een en deselve massa sonder opening van dese bergen was, alleen een diepe halve cirkel wiens holte na het n:w: siet, makende by dese toren van babel, ook omtrent so hoog. kregen met de middag, een donderbuy van een half uur, met sware regen.
vertrokken om een uur verder noord en zagen in den avond, dat een tak van dit gebergte regt in onse weg lag, west op schietende, dog lager en gebroken, zagen ook bergen op een grote distantie in het westen. passeerden meest caro, ook gebroken en grasveld het zelve terrein, enige water kuilen hebbende tot den middag oerebis rivier

[written upside down:]
tellen
umnielo
papini caloko
pataton caloko
paneke
passana
patandaton
panoonje
pavounane
papete
lies Joumi.
mivole kekaloko
chumel nebabini
en chumel nagabatate
óeba hiet de vis rivier

[page 93]
nog op de linkerhand die in het n o omtrent agter den toren van babel ontsprong. na deselve gepasseert te hebben, wierd het veld slegter, zonder water, zodat bevreesd was geen water desen avond te krygen, reed met meintjes recognosceren regt noord aan ook om te zien of wy door dit gebergte, alle regt noord aan wilde, konde komen, vonden rykelyk regenwater, maakten een rook vuur voor een signaal, en trokken in het lage gebergte, zagen hier vele jagt plaatsen (ook dese dag in het veld), van opgesette klippen, ook de defensie plaatsen der wilden alles van opgesette klippen, klommen op onse hoede zynde het gebergte op, en schoon het voorkomt dat de passagie zeer onseker is, zullen wy het morgen ondernemen, anders moeten wy west op.

retourneerden nog voor sonnen ondergank, en vonden de wagen by het water dat als alle staande of weinig lopende kuilen, beter van smaak als van uitsien is zynde ros en dik na de couleur van de grond. hebben van daag agt uren noord gehaald, en vele noes eenige elanden hartebeesten, bos verkens, patrysen en spring bokken dog niet sulke grote troppen als agter sneeuwberg; aan dit water, dat welgevonden hiete, waaren van die grote padden, hoorden hun schrewen dog zagen hun niet. het weer was seer goed en maar voor den donder een paar uuren heet, na het donder weer, woei de wind tot s'nags fris noord west.

translation

[19th December 1777]
The 19th

Saw and heard nothing. This night our watch was on the alert. The long-legs pestered us. There was dew and pleasantly cool weather. Our guns in the tent very moist. This morning a jackal yelped close to us in the reed. (We also heard something like people screaming.) Fine weather, a fresh north wind.
We departed northwards. The country is hillier here, like the Agter Sneeuberg. Although one is here travelling continuously over country that rises (very gently on the whole), one can yet see from every point that the horizon to the north-west and west is always closed at some distance by stony hills.. Having passed the point of the Bamboesberg range, one sees to the right in the north by east an similar range of mountains once again. They all look like each other; they have the same height as well and all seem to be joined together, though they do not form a regular chain, although the strata all tend to the horizontal with have peaks and plateaux of every kind.

Saw two bush-pigs, some hartebeest and eland. The ants here make very sharp peaks on their round heaps about a foot long, something that I have never seen elsewhere. According to the Hottentots, we have here passed by three salt-pans which area good day's journey on horseback to the west of us., is in the Agter Sneeuwberg where the boers fetch their salt which is always of fine quality. Even if rainwater has lain in them for only eight days, one gets salt. We also passed a place this morning where the salt struck out of the soil.

Two of us who were riding after some Cape eland, saw a dog following them, small, with pointed ears and which did not bark., after which they saw a wild Hottentot sitting in the reeds. They called out to him and tried to give him tobacco; but he remained sitting sullenly and watching and would neither come nor speak to them because he was hunting. Not wanting to risk a poisoned arrow, which he would have been the first to shoot from fear, they rode off. I was truly sorry not to have been able to get him. I was taking bearings on a hill and they did not get back to us before noon.

We outspanned opposite a peaked mountain standing by itself which I called the Tower of Babel. It was the same height as the flat Bamboesberg. Saw here that the blue mountains I had seen this morning were one and the same massifs as these mountains and without any gaps. It forms only one deep, half circle, the hollow of which faces north-west and which is about as high as this Tower of Babel.

We had a thundershower for half an hour at midday with heavy rain. Departed further north at one o'clock, and saw at evening that a foothill of this range, extending to the west, but lower and broken, lay right in our way. We also saw mountains at a great distance to the west. Mostly we crossed karoo-like coutnry, as well as broken and grassy country: the same terrain with some water holes. Till noon we had the Oerebies river still on our left hand side which rises in the north-east behind De Toren van Babel. We had the Oerbies river till noon, still on the left hand side

[written upside down:]
counting
ummelo
papiri caloko
pataton caloko
paneke
passano
patandaton
panoonje
pavourane
papeete
liesjoumi
umvelo kekaloko
chumel nebabim
e chumel nagabutato.
The Fish River is
called Oeba.'

[page 93]
When we had crossed the same, the country became poorer, without water, so that I was afraid we would have no water this evening. Rode ahead with Meintjes directly northwards to reconnoitre, and also to see whether we could come through this mountain range since we wished to continue due north. Found an abundance of rain-water. We made a smoking fire as a signal and went into the low mountain range. We saw (and also in the veld today)many hunting-places made of stones placed vertically, also the defensive place of the savage, all of vertical stones. On our guard, we climbed the mountain and, although it appears that the pass is very uncertain, we shall take it tomorrow, otherwise we shall have to go westwards.

We returned before the sun had set and found the wagon at the water which, like all standing or hardly flowing pools, tastes better than it looks, being thick and reddish like colour of the soil. We made eight hours north today and saw many gnus, some eland, hartebeest, bush-pig, partridges and springbok; but these were not in such great herds as in the Agter Sneeuberg. At this watering-place, which I called Welgevonden, were those large frogs, which we heard screaming but did not see. The weather was very good and, for a few hours before the thunder, very hot. After the thunderstorm a fresh north west wind blew until night.