Journals

Fourth Journey (MS 107/3/1-2)

21st October 1779


transcription

[21st October 1779]
21

gepasseerde nagt twe maal met het geweer op geweest, om het sterke blaffen van myn honden. eens voor een losgerukt paart en de twede reis voor een dromende bosjeman die sterk schreeuwde.
schoon weer oostelyk lugtje. warm.

gr van 't Zenith 18 m
brete 10 zuider declin 45
28 45

23 gra n:w: miswysing
2100 voet hoogte

ging na de rivier om de Zeekoeien te sien, vond enige onser bosjemans en namneiqua besig om ene gekwetste zeekoei aan de oversyde, met hunne assagaayen af te maken, hy was byna uit het water, en defendeerde sig, nu en dan bytende na de hottentotten, dog was te veel gekwetst om iets kwaats te doen.
aan onse oever was een trop van dat volk besig om een twede dode af te slagten, sy waren er op en om als gieren, pratende en schreuwende in het hondert, sneydende het vlees er af met hunne assagaayen. een derde is door de stroom weggevoerd. ging met den agtermiddag een tour het veld z:o: in Vond alles vlak met kleine klipheuvels, en seer klippig vlak, dog hier en daar langsaam rysende en dalende, de klipheuvels irreguliere bonken harde cos en veel quarts kleine scherpe stukken, sodat men in dit veld de schoenen schielyk doorloopt en paarden en vee hunne hoeven weekpotig maken. met siet het selvde Vlak veld, egter iets hoger aan de oversyde der rivier, alles even klippig dor en lelik waardoor men dan de groene streep siet uitsteken, die het geboomte aan weersyden der rivier een bos doet formeren. de wilden waren ten uitersten verwondert toen ik een van hen een pyp tabak met een brandglas aan stak, en voor hen op de citer speelde. het veld schynt kaler te worden, en de cameelpaarden te eindigen. kunnen nu de wagen niet verder mede nemen omdat de rivier twe myl verder door moeten, en dewyl verder wil laat ik de wagen terug na de namneiqua gaan met twe van ons volk. om op ons te wagten, ik sal de rivier by een plaats hosabees genaamt moeten passeren, leggende de einiquas en coraquas aan de oversyde. laten ons goed by de wagen nemende soveel mede als vier draagossen kunnen medevoeren. en myn astrolabium, dus sal de barometer observatie voor een tydt stilstaan.

[The journal entries end here. Appendices to this manuscript can be found in Other writings, Appendix MS.107/3/1/1 pages 60 to 67, Appendix MS.107/3/1/2 and Appendix MS.107/3/1/3 containing loose notes. The Journal continues in MS 107/3/2]

translation

[21st October 1779]
21

Was up twice last night with my gun on account of loud barking from my dogs. Once because a horse had got loose and the second from a dreaming Bushman who shrieked loudly. Fine weather. Light easterly breeze. Hot.

degrees from the zenith 18 minutes
Latitude 10 Southerly declination 45
28 45

Error: 23 degrees N.W.
Height: 2100 ft.

Went to the river to look at the hippopotamuses. Found some of our Bushmen and Namneiquas busy putting an end to a wounded hippopotamus with their assegais on the other side of the river. It was almost out of the water and was defending itself, snapping at the Hottentots now and then but it was too badly wounded to do any harm. On our bank a band of these people were busy butchering a second one that was dead. They were all over it like vultures, talking and shouting as if a legion, as they cut the flesh off with their assegais. A third animal was carried off by the current.
In the afternoon went south east on a tour of the veld. Found it was flat everywhere with small stony hills and very stony flat places, but slowly rising and falling here and there. The stony hills are uneven lumps of hard Cos with much quartz. There are also small sharp fragments so that one rapidly wears out one’s shoes in this veld and horses and livestock get wobbly hooves.
One sees the same flat country, but a bit higher on the other side of the river, (everywhere equally stony, arid and ugly, out of which one sees sticking up the raised green band which is the forest, formed by the trees on both sides of the river.
The savages were extremely astonished when I lit a pipes of tobacco with a burning-glass for one of them and played for them played upon the guitar.
The country appears to be becoming barer and the giraffes to be at an end. We can now take the wagon no further with us, because we have to cross the river two miles ahead and, because I wish to continue beyond it I am sending the wagon back to the Namneiqua with two of our people to await us there. I shall have to cross the river at a place called Hosabees. The Einiquas and Coraquas live on the other side. Left our supplies in the wagon, taking only as much as four pack-oxen could carry including my astrolabe. For a time then there will be no barometer observations.

[The journal entries end here. Appendices to this manuscript can be found in Other writings, Appendix MS.107/3/1/1 pages 60 to 67, Appendix MS.107/3/1/2 and Appendix MS.107/3/1/3 containing loose notes. The Journal continues in MS 107/3/2]