Journals

Fourth Journey (MS 107/3/1-2)

17th August 1779


transcription

[17th August 1779]
17

schoon weer z:o.
term 56 - 74 - 60

vertrok met den dag om de Paarden te laten drinken die na weer 50 uren sonder water geweest waren en om selfs een frisse dronk te doen. de hr Paterson en van Rhenen reden mede, over een hoogte komende sprong een struis op en wy vonden een nest met 34 varsche eyeren, een grote schat voor ons synde alles schaars. het nest was een ronde plek gekrapt sand zynde rond en tien voet diameter in de midden iets verheven hier in een vlak kuiltje waar in 22 eyeren daar toen het mannetje op broeide rondom de kale plek of cirkel was een rand een hand diep als uitgegraven waar in (dus rondom het broey nest 12 eyeren lagen, desen houden zy altoos zegt men om hunne jongen, uitgebroeyt zynde mede te voeden.

[page 16]
men vind er zegt men tot 84 en meer in een nest van 5 a 6 wyfjes daar zy dan ook ieder me broejen. sommige zeggen dat sy eenige eyeren uitgebroeid zynde, er een wyfje me weg gaat, en dan de andere eyeren in het nest krabben en zy hunne jongen met die, die in den omtrek der kring leggen niet voeden. over dese hoogte zynde kregen wy hard klippig als grint veld met kleine scherpe harde keien, van allerley kleur en kanten en veel schoone geraniums spinos: alles een seer dor en lelik veld. [in margin:] cloof
sagen enige zebras en twe springbokken, hebbende van de Caap af byna geen groot wild gesien als dit, schoon wel spoor, kwetsten een zebra dog hy kwam weg. sagen het opdragende land over de rivier hebbende hetselfde sanderige aspect als daar wy waren, sagen verscheide vars leeuwe spoor en arriveerden na een en een half uur rydens van de wagens aan de rivier, die de zelfde is daar ik, dec 1777 ten noorden agter de Caffers daar sy haar oorsprong heeft, geweest ben. zy was laag en omtrent vier hondert treden breed, niet snel stromende met een steile oever met grote sandplaten waaraan hier enige weinige doorn en willige bomen stonden, vonden oliphants en leeuwe spoor. braden een van onse struiseyeren, hebbende de overigen in de grond gegraven en ten teken een jas op enige bosjes opeengestapeld by het nest gelaten, indien onse wagen hierby mogte passeren. trokken de rivier wat op latende onse paarden een weinig gras dat er stond, grasen. verbeelden ons een trop wilden te zien, keerden doordien wy maar een geweer by ons hadden na de paarden, en reden toen na die plaats, dog vonden dat ons gesigt ons bedrogen had. wy hadden so sterk na diverse stenen gesogt en gekeken dat onse ogen op het sand schemerden ook door verhevelingen in dese velden gemeen, so dat wy nog verscheide abuisen deden daar wy om moesten laggen doordien wy onse wagens te vergeefs met ongedult verwagten, niet wetende of zy onder of boven souden uitspannen. reed op een hoogte dog sag niets dan een trop elanden hier op resolveerden wy also de avond viel om dwars het veld door te ryden west op om het wagen spoor te soeken, en anders by strand oost op te keren om het selfde te doen. de hr Paterson sag de wagens op een grote distantie, dog wy allen vele missagen in het kyken dese dag begaan hebbende, waren wy onseker, tot ik het spoor digt langs strand vond, waarna wy de wagens digt by de rivier een uur der mond daar de rivier een grote valey maakt uitgespannen vonden.

dese valey is met vloed wel anderhalf uur breed met een eyland aan de linker oever, dog loopt seer laag by de ebb vertonende dan vele sand platen, en kunnende men dan te voet op het eiland gaan in de mond so ver zien kan brand de zee sterk, en is de opening niet wyt vonden hier vele watervogels pelicanen eenden twederley soort flamingen etc. vonden tot onse verwondering het water schoon sterk ebbende en vloeiende zeer soet. sag gene hippopotamussen, dat my verwonderde dog een spoor, staande hier, egter niet veel te vreten. bragten de schuit te water heisten de prince vlag en dronken op Zyn Hoogheids gesontheid. en welkom aan die rivier dien ik in 1777 zyn naam gaf. nog enige conditien als Compagnies welvaren alles onder enige schoten. hoorden nog niets van Pinar die wy met zyn vier hottentots van gowaap niet vernomen hadden. de wind desen avond styf n:w. betrokken lugt

translation

[17th August 1779]
17

Fine weather. south east wind.
Thermometer: 56-74-60.

I left at dawn to let the horses drink since they have had none for fifty hours; also to have a good drink myself. Mr Paterson and Van Rhenen rode with me and as we came over a rise an ostrich sprang up and we found a nest with 34 fresh eggs. Since everything is so scarce this was a great treasure for us. The nest was a round place scraped in the sand, round and ten feet in diameter, raised slightly in the middle. Here in a shallow little hollow were 22 eggs on which the male had been sitting. Around this bare place or circle there was another circular ridge as though dug out to the depth of a hand (thus surrounding the nest) and in this lay twelve eggs. It is said that they always keep these to feed their young with when they are hatched.

[page 16]
They say that one can find up to 84, even more in a single nest where five or six females all sit.
Some people say that, once a few eggs have hatched, a female goes away with them, and then scratches the other eggs in the nest, and that they do not feed their young with those eggs which lie around the circumference of the circle.
Once over this rise [in margin:] cloof
we came upon ground as hard as gravel with small, sharp, hard pebbles of all kinds of colour and structure also many beautiful geraniums (spinosa). Parched ugly countryside everywhere.
We saw some zebra and two springbuck. We have seen hardly any game as large as this since leaving Cape Town, though we have seen tracks. Wounded a zebra but it got away. We saw the rising land across the river which has the same sandy appearance where we were. Saw various fresh lion tracks and after travelling an hour and a half from the wagons arrived at the river, which is the same as the one I was at in December 1777 and which has its source to the North, beyond the Caffres. It was low and about four hundred paces wide, not flowing fast and with a steep bank with large sand-banks with a few small thorn and willow trees growing here. We found elephant and lion tracks. Roasted one of our ostrich eggs. We buried the rest in the ground and left a jacket on some piled up shrubs at the nest as a sign should our wagon pass this way. We went up-river for a bit, letting the horses graze on the meagre grass that was there. We thought we could see a band of savages so we returned to the horses, having but one gun with us. Then we rode to that place but found that our eyes had deceived us. We had sought so hard for various stones and had been staring so intently that our eyes grew dim from looking at the sand (also from the mirages common in these regions) so that we made several blunders which we had to laugh about. Because we were waiting impatiently and in vain for our wagons, not knowing whether they would outspan below or above us, we rode up on to hight but saw nothing but a herd of eland. Because of this we decided to ride west across the veld when evening fell, to look for the wagon tracks, otherwise to turn east at the shore to do the same. Mr Paterson saw the wagons at a great distance but because we had all had so many optical illusions this day we were uncertain until I found the tracks close by the shore. After this we found the wagons outspanned close to the river where it makes a large vlei one hour from the mouth.

At high tide this vlei is a good hour-and-a-half’s journey wide, with an island on the left bank, but falls very low at ebb tide revealing many sand-banks and can then go over on foot to the island. As far as can be seen the sea breaks strongly at the mouth and the opening is not wide. Found many water-fowl here: pelicans, ducks, two different kinds of flamingo, etc. To our astonishment we found that the water, although ebbing and flowing strongly, was very sweet. I saw no hippopotamuses, which amazed me, and only one track; however there is not much to graze here. Brought the boat to the water, hoisted the Prince’s flag and drank His Highness’s health and a welcome to the river to which I gave its name in 1777. And several other toasts such as the welfare of the Company, all the accompaniment of gun-shots. We have still heard nothing from Pinar, whom we have not seen with his four Hottentots since Goewaap. A stiff north west wind this evening. Sky overcast.