Journals

Fourth Journey (MS 107/3/1-2)

16th August 1779


transcription

[16th August 1779]
16

term 56 - 73 - 60
Schoon weer z:o:

Sagen verscheide, leeuwesporen vars. betreden, sagen de twe voornoemde klippige bergjes op een half quartier aan onse linkerhand
ging met paterson op deselve de oostelykste is de grootste, hieten deselve de twe gebroeders, dese zyn behalven de brete de enigste tekenen waar aan men de mond der Oranjes rivier sou kunnen ontdekken, zynde die digt aan strand, de kleinste puntig, drie mylen bezuiden de mond so als ik van de berg zag by de zelven schiet de zee regt noord in en maakt een tamelyke inham waarna het land by de mond n:w: opschiet. er was veel yser delen en de cos klonk op vele plaatsen als een ambeeld, vonden de wagens door matheid der ossen een half uur verder uitgespannen. lieten deselven wat bosjes eten, en vertrokken in den agtermiddag deselve coers spannende met den avond in duinig sand uit na seven uren rydens, moetende de dieren weer sonder water blyven, en was ons drinkwater dat wy mede hadden genomen seer slegt. reed voor donker voor uit
sag de vlakte der rivier en een grote valey 't water sout aan de linkerhand twe uren eer men aan deselve komt. het land hetselfde. hiete dese valey na de Graaf charles bentinck van sorgvlied.

translation

[16th August 1779]
16

Thermometer: 56-73-60.
Fine weather. south east wind.

We saw several, freshly trod lion tracks. Saw the two aforementioned stony hills on our left, ten minutes to our left. Went on to the same with Paterson. The eastern is the largest, called them the Two Brothers. Being close to the shore these are the only signs, apart from taking the latitude, by which one could locate the mouth of the Orange River. The smallest is sharply peaked, and three miles south from the mouth, as I saw from the mountain. At the same (hills) the sea shore runs due north and makes a considerable bight after which the land runs north west to the mouth. There were ferrous particles and in many places the Cos rang like an anvil. Found the wagons unyoked half an hour further on because of the exhaustion of the oxen. Let the same graze a while on the shrubs and departed on the same course in the afternoon, outspanning after seven hours travelling at dusk in duney sand. Again the animals had to stay without water and the drinking-water we had brought with us was very bad. Before dark rode ahead. Saw the plain of the river and a large vlei (the water was salty)at left. It would take two hours to reach same. The countryside the same. I called this vlei after Count Charles Bentinck of Sorgvliet.