Journals

Second Journey (MS 107/1/1-2)

5th December 1777


transcription

[page 77]
[5th December 1777]
den 5

schoon weer met frisse noorde wind. vertrok o z o op, daar na oost, quamen op de plaats van enen frederik teunis botha, daar wy drie caffer capiteins met enigen van hun volk vonden, Coba baberà en godissa, dese plaats legt een uur van de grote visrivier, dewelke syn oorsprong aan de oostzyde, der rode bergen, een tak der sneeuwbergen, neemt de caffers schenen vriendelyk en vrolyk, zy leerden my verscheidene hunner woorden, en waaren seer sneeg. zy noemden myn naam duidelyk en zy schenen veel werk van my te maken. de drie die met ons van prinselo gingen, liepen een tyd lang agter myn paardt, ik zong ener hunner ģoroe genaamt een hoogduits lied voor, waar van hy de melodie ieder regel byna volkomen nazong. een hunner diensa genaamt, toen wy van frederik teunis botha na de visrivier vertrokken plaagde my om op myn paart te zitten, het welk ik op het laatst toestond en hem te paart hielp, hy galopeerde fris weg vooruit na de visrevier daar de wagens na toe gegaan waren, en liet my met omtrent dertig caffers te voet

[page 78]
na marcheren, zynde het zeer heet. dit is het vryste vrolikste bedelagtigste volk dat ooit gesien heb dog niet diefagtig in het geheel, hunne taal vloeibaar zynde door en byna geen moeyelyke woorden om uittespreken hebbende, spreken zy zeer rad en met een sware mannelyke stem. meest met een sterke aandrang op de op een na laatste syllabe van het woord dien sy meest lang uithalen

arriveerde op den middag aan de grote visrivier, die men op dese plaats byna droogsvoets door kan gaan, dog grote zeekoe gaten had, daar zig nog enigen dier dieren in ophouden, dese rivier had ook als de kleine een snelle helling en word zeer breed en inpassabel in sware regens. gingen met de zegen vissen dog de klippen hinderden het net om de trek te doen.

zat midden onder de Caffers by hun gro Capiteinen zynde de grootste Coba, die een man was van omtrent veertig 35 sjaaren, grof en welgemaakt, met een regt martiaal gesigt, hy leerde my verscheide woorden, en hunne namen dewelke opschreef, waarna ik se repeteerde daar zy zig zeer over verwonderden de vinger in den mond stekende en daar na hartelyk lagten, een hunner quam daarna met nog enigen en hietende noemde my de naamen, ook van enige hunner vrouwen en meiden, dewelke ik opgeschreven hebbende nam het papier en doende als of hy las, repeteerde hy enige hunner namen na gissing. daar de anderen braaf om lagten. vereerde ieder capitein een vette hamel, ook kregen zy van de gecommitteerdens eenige tabak en presenten, en Coba een granadiers muts.

sy slagten de schapen met se de keel af te snyden en begonnen een dans, die zeer wonderlyk was en verscheide veranderingen had, zy formeerden een pelotten van 5 gelederen 6 a 7 in een gelit, dog de het twe voorsten gelederen hadden het gesigt na de twe anderen of regtsom keert gemaakt, zy bleven meest al zingende op de tenen staan, en beweegden hunne lighamen, door op de teenen sterk te balonneeren, schuddende hunne hoofden met rukken ene zong de woorden en dirigeerde de musiek, de anderen bromden meest zomtyds den asem sterk uit de borst ophalende, dan sprongen zy allen gelyk op de maat van de grond, dan de gelederen iets van en dan na sluitende, zy hielden zig meest gesloten en gearmt, hunne stokken omhoog op en neer stotende, dan gingen enige vrouwen en ook mans wanneer de dans (alles met mans) wat geduurdt had al klappende rondom de anderen, en maakten een slinger of grote 8 weeromdrajende, ook liepen enige zomwylen uit het pelonton en maakten allerley bewegingen waarna sy weder keerden en met den grootsten iever begonnen te dansen, het was raar om enigen onder hun zingen en dansen te horen fluiten, dat sy tussen de tanden seer hard doen als de slag van een vink danste met hun dat hun wel geviel enige hunner wyven dansten en zongen me, buiten aan de vleugels van het pelotten, en maakten een aangenaame melodie met de maat van een contredans.
nadat hun het sweet aan alle zyden uitgebroken was en enen de neus bloede, scheiden zy uit, en gingen naar ons Cabè of goeden dag gewenst te hebben naar hunne kraal, die hier een half uur noord vandaan legt.
dog Cobas kraal legt een uur noord oost over de rivier hy bleef met de anderen. onse coers is vandaag oost z o geweest vier uren, alles gras velt met doorn bomen, vol gele kleigrondt. zeer warm schoon weer noordelyke wind.

[page 79]
Ćolesi hiet de gedode caffer de oppasser van het vee. by de éi waka hiet de captein
beschryving van de caffers [this appears to be a heading; but the rest of the page is blank]

translation

[page 77]
[5th December 1777]
The 5th

Fine weather with a fresh north wind.
Departed east south-east and afterwards east and arrived at the farm of a certain Theunis Botha where we found three Caffre chiefs, Coba, Baberà and Godissa with some of their people. This farm lies an hour from the Great Fish River which has its source on the eastern side of the Rodebergen, a branch of the Sneeuberg range. The Caffres appeared friendly and merry. They taught me several of their words and had a very quick-witted. They pronounced my name clearly and appeared to make much of me. The three who went with us from Prinsloo's walked behind my horse for a while. I sang for one of them called Goroe a song in High Dutch of which he imitated , sing each line of the melody almost perfectly. When we had left Teunis Botha's for the Fish River one of them called Diensa pestered me to let him sit on my horse; which I finally allowed helped him to mount the horse. He galloped away briskly ahead of us to the Fish River to where the wagons had gone and left me with about thirty Caffres to tramp after him,

[page 78]
and it was very hot. They are the freest, merriest people I have ever seen, and the most fond of begging but not, on the whole, thievish. Their language is liquid with almost no words that are difficult to pronounce. They speak very swiftly and in a heavy, manly tone, generally with a heavy emphasis on the one but last syllable of the word, usually long-drawn out.

Reached the Great Fish River at noon which one can almost cross dry-shod at this point. It did have large hippopotamus holes however where some of these animals are still living. Like the Little Fish this river also drops steeply and becomes broad and impassable with heavy rains. We went fishing with the nets but the stones prevented us from drawing it in.

Sat in the middle of the Caffres with their chiefs, the greatest of whom is Coba. This man was about thirty five years old, stocky and well-built, with a truly martial expression. He taught me various words and their names which I wrote down. Whereupon I repeated them which astonished them greatly, sticking their fingers into their mouths and then laughing heartily. After that one of them came with some others and called out the names of some of their women and girls as well, and when I had written them down he took the paper and made as if he was reading, repeating some of their names by guess-work. At which the others gave a hearty laugh. I made a present of a fat wether to each chief and they also got some tobacco and presents from the committee members; in addition Coba got a grenadier's cap.

They slaughtered the sheep by cutting their throats and began a dance which was most wonderful and had differing variations. They formed up into a platoon of five rows, with six or seven in a row, but the two foremost rows faced the other two, or turned right around. They remained standing mostly on their toes, singing while moving their bodies which they did by bouncing heavily on their toes, and shaking their heads with jerks. One of them sang the words and directed the music, the others mostly hummed, sometimes strongly exhaling the breath from their chests; then they all jumped together from the ground on the beat. Then the rows opened and then closed again. Most of the time they kept close to one another, with interlocked arms, pushing up their sticks up and down on high.
Then, after the dance (with only men participating) had lasted a while, several women and also men went all clapping around the others making a chain or large figure-of-eight, turning around again. Sometimes some of them also went out of the platoon and made all sorts of movements after which they went back and began to dance with the greatest zeal. It was curious to hear some amongst them whistling while dancing and singing. They do this through the teeth, very loudly like the cry of a finch. And I danced with them which gave them great pleasure. Some of their wives were dancing and singing along outside the wings of the platoon and made a pleasant melody with the beat of a contredanse. When the sweat had broken out on all sides and one had a nose-bleed, they broke away and after they had wished us 'Cabe" or 'Good day' went off to their kraal which lies half an hour to the north of here. But Coba’s kraal is situated an hour north-east across the river. He remained with the others.
Our route today was east south-east, four hours. All grassy country with thorntrees; yellow, clayey soil. Very warm, fine weather, northerly wind.

[page 79]
Colesi is the name of the killed Caffre, the herdsman. At the éi, the chieftain is called waka
Description of the Caffers. [this appears to be a heading; but the rest of the page is blank]