Journals

Second Journey (MS 107/1/1-2)

24th December 1777


transcription

[24th December 1777]
24

reden in den morgen na de poort en lieten de wagen na de rivier regt noord aan ryden en uitspannen. by de rivier komende zagen enige wilden aan de over zyde dog zy bleven zo ver dat wy hen niet wel konden besien. zy leiden zig tegen een heuvel neer.

[in margin:] schoon weer z:o: frisse wind geen dauw sloegen een kopere capel van ses en een half voet by de rivier doodt een onser hottentotten bewaarde de kop om het gift voor syn geweer de pyl te gebruiken

in de rivier zagen wy vele hippopotamussen, die in het geheel niet schuuw waren zeer nieuwsgierig na ons keken. zy diverteerden zig dan met de helft van het lyf boven dan weer onder en meest met de hele kop boven naar ons kykende dog naast aan de overzyde blyvende, daar de over hen favorabelder scheen nam hier een fraay gesigt van de poord die oranjes poort noemde, gingen na de poort en het hier naauwer wordende vol zeekoey sporen paden, en tekenen van wilden, aan een menigte stuk gestampte benen van differend wild, ook zeekoeien waren zeer op onse hoede, also het hier vol doornbomen was en vol versche tekenen der wilden, by de poort die een half uur lang en een groot quartier breed is, zynde een natuurlyke scheiding tussen twe gebergtens.

tussen de bomen gaande steeg af en het paard aan een hottentot te leiden gevende, willende ik het gebergte beklimmen, zag ik myn hottentot voor my verdwynen, met een grote schreew het paard sprong te rug, de arme karel schreeuwde om hulp, by hem komende zag ik dat hy in een diepe kuil, dewelke de wilden in de zeekoey paden zonder dat men se zien kan, maken om die dieren in te vangen. hielp met behulp van een lange stok

[page 7]
den verschrikten hottentot uit zyne gevangenis zynde so vol stof dat hy uit de ogen niet zien kon sy graven die kuilen 14 a 18 voet diep en omtrent 6 voet ovale diameter, dragende de grond in vellen weg, dan leggen zy stokken dwars, stekende deselve aan weerskant in de grond, so dat het pad egaal blyft, dan dekken zy alles, en maken er als een spoor der zekoey over zodat men niets zien kan,

klom met de beer en de schilder op de berg, de welke agt a negen hondert voet hoog was, zien ten oosten een grote vlakte, dog na vyf of zes uren gebroken tamelyk hoog gebergte, ten noorden en n:o: alles ook het zelve gebergte zynde alle dese gebergtens van sneeuwberg en visrivier af alles van een gedaante en boven en aan de syden met gras, en weinig struiken, zag dat dese rivier een uur oost van dese poort, uit twe takken bestond de ene uit het o:z:o: en de andere uit het n:o:t:n: komende, dog de o:z:o: was de breedste, hiete de andere na mevrouw de prinses van oranjen wilhelminas rivier, men zou dese rivier kunnen met een schuit bevaren also er wel riffen zyn dog zo ver zien kon geen als kleine ruisingen, daar men de schuit over kon trekken, (niets speet myn meer als dat geen schuit had.
peilde de gesigten, en zag met een kyker vele hypopotamussen in het midden, der rivier die op een schoot van meintjes daar na toe kwamen. en tot digt aan de overzyde daar hy was naderden, het zeer heet zynde had zulk een onlydelyke dorst, dat droog gras voor den dorst kaauwde, dat goed is. klom langs een steile krants na de rivier met moeite af daar durand en meintjes zaten, en zagen hier agt a negen zekoeyen 70 a 80 treden van hun leggen kyken, schoon meintjes er een op 20 treden gekwetst had. sy versogten my te schieten en ik trof een tussen het oog en oor, die in het water op een klipbank stond, half buiten, dit een doodschoot zynde zagen wy hem niet meer. iets remarkabels is dat die dieren in de sterkste stroom en daar het diep is schynbaar stil leggen zonder afdryven, dog hebben dan de poten op een klip onder water, bleven aan dese oever onder de doorn bomen na die dieren leggen enigen tyd leggen kyken, zynde het hier aller verrukkelykst.

[page 8]
door dese schoone rivier, en lommer, dat zynde men in dit land niets als torrans en beken die men rivieren noemt gewoond reed alleen langs de rivier na de wagen, en myn geweer afgeschoten zynde wilde het uitwassen, dus gaf het aan de schilder
na eenigen tyd gereden te hebben, en verscheide fraaje vogels en terra natals hoenders, meest in allen dele een polipentade gesien te hebben, wilde ik na een rif dat halve maans wyse daar het water sterk op bruiste, van de ene oever tot de andere strekte, ryden, om te zien of ik door dese rivier konde te paard komen, na enigen tyd er na gekeken en zulks te paard onmogelyk vindende, wilde ik weder van de rivier afryden, tussen enig riet op de hoogte een zeekoei pad volgende, viel ik op het onverwagts, met myn paard, in een kuil die de wilden voor de zeekoei gemaakt waren, in het vallen rukte ik het paart sterk in de toom zodat zyn onderlyf meest na beneden viel, de stof en stokken villen, aan alle kanten op my, zodat met beide handen, opsloeg om niet te smoren, een opening gemaakt hebbende, greep ik het paard dat sterk begon te slaan en te werken by beide de oren, deselve toehoudende, zoals wel gehoord had goed te zyn, het arme dier bleev wat stil en swete van doodsangst en benaawtheid van dese kuil; zeer present en niet beseert zynde, zag ik dat meer dan agt voet boven myn hooft dese kuil hoog was, en dat schielyk een effort moest doen doordien de asem haling hier seer beswaarlyk was, dierhalven, sprong zo hoog als kon, en bleef gelukkig met myn schouwders en voeten my boven het paart dat geweldig begon te werken in het gat hangen, nu spande ik alle kragten in en na my als een schoorsteen veger nog drie a vier slagen opgewerkt te hebben, vatte ik met myn ene hand een der overgebleven stokken aan het end van het gat daar hy stevig genoeg was my te soetineren, en raakte dus allergelukkigst uit dit gevaar, sprak myn arm paart toe, en het beest bleev weer stil, dus liep so sterk konde na de wagen en volk met een schop halende, om het beest te redden dog toen wy weer by het gat kwamen vonden het dier dood zynde gesmoort, het sweet stond hem als water op het lyf, ook zouden wy hem in een geen halve dag uitgegraven hebben, zynde de kuil omtrent de 16 voet diep, het quam myne reismakkers en my onbegrypelyk voor hoe zonder hulp uit dit gat was geraakt

[page 9]
lieten er een hottentot in om de saal en toom uit te halen, dog hy had het er zo benaauwd, dat hy het er niet en houden kon tot de saal los was, kregen eindelyk de saal en toom er uit, synde niets gebroken, ook myn pistolen die onder het paart en niet geschonden, dog de ene de haan overgehaald waren, lieten het arme dier leggen en gingen na de wagen,

laat in den agtermiddag ging in de rivier swemmen, die seer oneegaal diep met klip banken en gaten vond kon tegen stroom byna niet avanceren, dorst my niet ver hasarderen, uit vrees voor de zeekoei die in het water zeer gevaarlyk zyn. dit dier moest nog zeekoei nog hippopotamus, maar rivier koei of bul hieten.
het is vandaag zeer warm allerschoonst weer geweest met een z:o: frisse wind, waayende als de z:o: passaat. weerligt met den donker ver in het n: tot z:o: geen dauw

translation

[24th December 1777]
24

In the morning we rode to the defile, having ordered the wagon to travel due north to the river and make camp there. When we came to the river we saw some savages on the other side; but they kept so far away that we could not see them well. They lay down against a hill.

Fine weather. Fresh south-east wind, no dew. Killed a cobra six and a half foot long at the river. One of our Hottentots kept the head in order use the poison on his weapon, the arrow.

Saw many hippopotami in the river that were not at all shy but watched us very inquisitively. They amused themselves by looking at us with half their bodies above water, and then below it, mostly with the whole head above the surface. They kept closely to the other side however where the bank appeared more favourable. I made a fine prospect of the defile here which I called De Oranje Poort. We went to the defile which becomes narrower here and which is full of hippopotamus paths and signs of savages. There was a multitude of crushed bones from different kinds of game. There were hippopotamus as well. We were very much on our guard because it is thick with thorn-trees here and full of recent signs of the savages.

Going through the trees, I dismounted at the defile, which is half-an-hour’s distance long and a good quarter of an hour wide, being a natural division between mountain ranges; I gave a Hottentot the horse to lead as I wished to climb the mountain. I saw my Hottentot disappear in front of me, with a great scream. The horse jumped back and the poor fellow screamed for help. Coming up to him I saw that he was in a deep pit which the wild people make in the hippopotamus-paths, in a way that one cannot see them, to trap these animals. With the aid of a long stick

[page 7]
I helped the terrified Hottentot from his prison. He was so full of dust that he could not see. They dig the pits 14 to 18 foot deep with an oval diameter of about six foot and take the soil away in skins; and then lay sticks across them, pushing the same into the soil on both sides so that the path remains level. Then they cover everything and make what looks like hippopotamus spoor over it with the result that one cannot see anything.

De Beer, the painter and I climbed the mountain which was eight to nine hundred foot high; we saw a large plain to the east, although there is a fairly high, broken range of mountains five or six hours away. To the north and north east it is all the same range. All these mountains from the Fish River and the Sneeuberg range have the same formation, with grass on the tops and sides and scant shrubs. Saw that an hour to the east of the defile this river consists of two branches, one coming from the east south-east and the other from the north-east by north, though the one from the east south-east is the widest. Called the second the Wilheminas River after my Lady, the Princess of Orange. One would be able to navigate this river with a skiff; even though there are reefs yet there are, as far as can be seen, only small rapids that one could drag the skiff over.
Nothing grieved me more than the fact that I did not have a boat. Took bearings on the sights, and saw with a spy-glass that there were many hippopotamus in the middle of the river, that had gone there when Meintjes fired a shot, and came close to where he was on the other side. Was so hot and had such an insufferable thirst that I chewed dry grass which is good. Climbed with difficulty along a steep cliff down to the river where Durand and Meintjes were sitting. Saw 8 or 9 hippopotamus here, 70 to 80 paces away, lying and watching, even though Meintjes had wounded one of them at 20 paces. They asked me to shoot and I hit one between the eye and the that was standing on a stony ledge, half out of water. This being a mortal shot, we did not see it again. A remarkable thing is that these animals lie still in the strongest current where it is deep, apparently without floating, though they then have their feet on a rock under water. Stayed on this bank under the thorn-trees, lying and watching the animals for some time. Everything here is most delightful

[page 8]
because of this beautiful river and shade; especially as one is accustomed in this land only to torrents and brooks, which are here called rivers.. Rode alone beside the river to the wagon, and as I had shot with my gun I wanted to clean it. I therefore gave it to the artist. After riding for a while and having seen various beautiful birds and Terra Natal fowl (mostly a guinea-fowl in all respects), I wished to ride to ride to a reef that showed like a half-moon stretching from one bank to the other and against which the water foamed strongly, in order to see if I could cross this river on horseback. After looking at it for a while, and finding it impassable on horseback, I decided to ride away from the river again, and following a hippopotamus path through some reed on the hillock, fell unexpectedly together with my horse into a pit which the savages had made for hippopotamus. While falling, I pulled at the horse's bridle violently so that most of the underside of its body fell below. The dust and sticks fell on me from all sides so that in order not to be smothered I struck up with both hands. Having made an opening. I gripped the horse, which had begun to kick and to struggle violently, by both ears, closing them tightly, because I had heard that this was a good thing. The poor animal remained still, sweating in its deadly fear and the oppressiveness of the pit. Being unhurt and completely in control of myself, I saw that the pit was eight foot high above my head and that I had to make an attempt quickly because breathing had become very difficult. I therefore jumped as high as I could and fortunately remained hanging in the hole with my shoulders and feet above the horse that had started to thrash violently. I now gathered all my strength and worked myself upwards with three or four thrusts, like a chimney sweep. With one hand I snatched at one of the remaining sticks which was at the edge of the hole and where it was still firm enough to support me and thus with every good fortune got free of this danger. I talked to my poor horse and the creature remained calm again. I then ran as fast as I could to the wagon and fetched people with a spade in order to save the creature; but when we arrived at the hole again we found that the animal had suffocated to death; the sweat stood like water on its body. We could also not have dug it out in less than half a day, the pit being about 16 foot deep. It was incomprehensible to my travelling companions and to me how I had got out of the hole without help.

[page 9]
We let a Hottentot down into the hole to get the saddle and bridle out but it was so suffocating that he was unable to endure it until the saddle was loose. Eventually we did get the saddle and bridle out and nothing was broken. Even my pistols which were under the horse were not damaged but one of them had cocked itself. We left the wretched animal lying there and went to the wagon.

In the late afternoon I went swimming in the river which was very varied in depth with stony ledges and holes in bottom. Found I could hardly progress against the current. Did not dare to hazard going far for fear of the hippopotami which are very dangerous in the water. This animal should be called neither sea cow nor hippopotamus but river-cow or -bull. It was very warm today, the most beautiful weather with a fresh south-east wind, blowing like the south-east trade wind. Lightning at nightfall far to the north and across to the south east. No dew.