Journals

Second Journey (MS 107/1/1-2)

1st November 1777


transcription

[1st November 1777]
den 1 november

naa fris geslapen te hebben, gingen wy na tevergeefs na onse hottentotten gewagt te hebben om 6 uren oost aan door de slange rivier. het rode gebergte is z o strekkende loopt omtrent by een kleine tak die by de gourits poort noor oost uitspringt, by de atquas cloof tesamen, het rode gebergte is daar de gourits rivier, of oliphants rivier doorloopt gamdous of lewepad berg genaamt, hiet rode berg door roodagtige klippen daar het veel uit bestaat, reden naar het huis te zoeken van Cloete en waaren een goed uur geavanceert, wanneer een onser hottentotten ons na liep en ons sey dat wy het verby waaren, keerden te rug en vonden myn hottentot die de ossen gevonden had, die ons door de cloof van de slange rivier in een cloof bragt daar wy een slegt huis dog een welbeplant land vond selfs oranjes en citers die groot en schoon dog wateragtig van smaak waren de andere hottentot kwam ook by ons en sey dat het paard, niet verder wilde als de grote rivier, sond hem met myn ene hond, en kost voor hem te rug om het paard en hond die niet meer lopen kon na de post, rietvaley te rug te brengen trokken oost ten noorden en oost aan tot wy om zeven uren, onder de atquas cloof, by de by eenen Joon kwamen, sloegen onse tent op, en wierden dien nagt zeer gestoord door honden en paarden, doordien er wolven (hyaenas) omtrent waaren, die atquas kloov is deze wagen pad dat moyelyk is en een dag rydens aanhoud, meest noordoost en zuidwest. alles van de lange cloov ook oliphants rivier ryd dat pad, onse coers is van platte cloof tot hier is oost ten noorden geweest distantie in een regte lyn oost ten noorden. de go het land was alles caro of ḿoumou, bosjesvelt in hottentots, weinig water en harde rode klei vol gravel of kleine keitjes en rotsig dewelker lagen meest perpendiculair lagen
wy passeerden een klein riviertje, twe uren en een half eer wy by Joon kwamen de wilde paarde boomen genaamt het welk een fraaye wilde vertoning maakte, vyf uren gaans was onse dagreis. dog vele hoogtens en dallen.

[annotated on page 35:

den 1

[hette om ses] [agt] [middag] [vier] [ses] [agt uren]
59 [blank] 75 60 64 [blank]

goed weer betrokke lugt z westelyk windje

peilden s'morgens van de hoogt een uur oost van cloete en twe oost van gourits rivier desselfs poort in de grote keten z w ¼ zuid van ons, op de distantie van drie en een half uur. koud so als wy onder de atquas cloov kwamen daar de hiergenaamde bergwind sterk zuid west woey zo als hier overal langs tot om trent de tradouw.

hier was ook enig ligt gras velt losse swartagtige aarde met zand vermengt door duurde niet lang.]

translation

[1st November 1777]
The 1st November

The 1st Nov.

Temperature. 6 o’ clock in the morning 8 o’ clock in the morning Afternoon 12 o'clock Afternoon 4 o'clock Evening 6 o'clock Evening 8 o'clock
59 [blank] 75 60 64 [blank]


Good weather. Sky overcast; south-westerly breeze.
Cold as when we came below the Attaquaskloof and the wind, which they here call the 'berg wind', blew strongly from the south-west as it does everywhere here up to about the Tradouw.

Having slept soundly we set forth east at six o'clock through the Slangrivier, after having waited in vain for our Hottentots. The Rodeberg mountains stretch to the south east and join the Attaquas Kloof approximately where a small branch protrudes north east at the Gourits Pass. The Rodeberg is called the Gamdous or “lion track” Mountain where the Gourits River or Olifants River runs through it. It is called the Rodeberg on account of the reddish stones of which it largely consists. We rode on in search of Cloete's house and had advanced a good hour when one of our Hottentots came up to us and told us that we had passed the place. We turned back and found my Hottentot, the one who had found the oxen who took us through the kloof of the Slange River to a kloof where we found a poor house but well-planted fields. There were even oranges and lemons which were fine and large but they had a watery taste. The other Hottentot also arrived and said that the horse would go no further than the Grote River; sent him back with one of my dogs and with food so that he should take the horse and the dog (which could no longer walk) back to the Rietvlei post. Travelled on east by north and east until at seven o'clock we reached a certain Joon below the Attaquakloof on the Saffran River. We pitched our tent and this night were much disturbed by dogs and horses because there were wolves (hyenas) around. This Attaquaskloof is a difficult sort of wagon-road and is a day's ride long, running mostly north-east and south-west. Everyone from the Langekloof and also from Oliphants River uses this road. Our route from Plattekloof to here has been east by north, the distance in a straight line east by north. The country has been Karoo-veld or Nounoù, which means shrub-country in Hottentot. It has little water and hard, red clay which is full of gravel or little pebbles. It is rocky and the layers are generally perpendicular. Two and a half hours before we reached Joon we crossed a small stream called the Wilde Paardeboomen River which presented a wild and beautiful sight. Our day's journey was five hours, though many hills and dales however. Took bearings this morning at the high place an hour east of Cloete’s and two hours east of the Gourits river: on the same defile in the great chain south-west quarter south of us, at a distance of three and a half hours. The country here also had a light covering of grass with loose blackish earth mixed with sand but this did not last for long.