Journals

Second Journey (MS 107/1/1-2)

13th January 1778


transcription

[13th January 1778]
13

schoon weer dog warm, ooste: weinig wind. die door den dag west wierd. gepasseerde nagt weinig dauw, kreeg bezoek van vele caffers van de welke een schild en assagaay ruilde. hier zyn vele hier sogenaamde wilde kalkoenen, een vogel de helft groter als een houtsnep, deselve formaat van bek en kop, ook veel het lyf, is swart, met het mannetje een roodagtig voorhooft het wyfje dat ik schoot was grys op het voorhooft. de bek is ook rood. na hier gebleven te zyn tot vier uren in den agter middag vertrok ik n n w aan, om by het wagen pad na sondagsrivier te komen. by ruiters kraal legt een kleine kraal, van enen hottentot trompetter genaamt, die met twe Caffers my een stuk weegs convoyeerde. dese Gounacas of Gounaqua hottentots syn groter als de andere hottentots, sy zyn ook byna versmolten en onder de Caffers vermengt; eer ik vertrok seide ik de Caffers dat onse grote Captein wilde dat sy over bosjemans rivier bleven en wy aan dese syde. sy waaren hier over verwondert en niet wel te vreden, vragende wat voor quaad sy dan gedaan hadden. passeerde na anderhalf uur rydens een de eerste vee plaats van ene routenbag, waarop een europeaanse knegt, die aan alles gebrek had. de maan opkomende verkoos ik in de koelte te ryden. trokken met een halve maan van het n n w tot het w:t:n: passeerden na drie uuren rydens de vee plaats van enen cok waarop enige hottentotten, kregen de hoge ruggens digter aan onse regterhand, en digt laag boscasie, van doorn, en andere struiken.
uit dese hoge ruggens loopt een riviertje dat meest droog is Ćour nou geheten synde smalle doorn rivier dat w: langs de ruggens omtrent ses uren dan z o in de sondagsrivier loopt. bleven het zelve meest langs den linker oever houden passeerden het twe a driemaalen, quamen na een uur door dit kreupelbos gereden te hebben op een vlakte, waar twe grote troppen buffels zagen, en drie die alleen weiden, kwetsten er een swaar in de borst, hy liep nogthans in een bosje, zodat wy hem in den nagt niet dorsten vervolgen. na een groot uur rydens, spanden wy by dese rivier, die hier liep uit aan de plaats, áas ćou, of geel hout doornboom.
het donderde desen avond heel ver in het noorden, zagen ook in den avond enige weerligt, dog wy kregen niets, van routenbags plaats een paar uren zynde, kreegen wy een half uur sandweg, zodat onse wagen voor het eerst binnenlands met de wielen onder sand kwam. onse coeurs seven uren met een draay van het n n w tot west. meest harde witte gryse klei grasgrond met krepelbos heuvelagtig land.

translation

[13th January 1778]
13

Beautiful weather but hot, light easterly wind, which became westerly during the day. A little dew last night. Had a visit from a large number of Caffers from whom I bartered a shield and assegai. There are many so-called wild turkeys here, a bird half as large again as a woodcock, with the same formation of beak and head and the body very similar. It is black and the male has a reddish forehead. The female, which I shot, was grey on the forehead. The beak is also red. After staying here till four o'clock in the afternoon, I departed north north-west in order to reach the wagon-road to the Sundays River. At Ruiter's kraal there is a small kraal belonging to a Hottentot called Trompeter who escorted me a part of the way with two Caffres. These Gounacas or Gounaqua-Hottentots are larger than the other Hottentots. They are also almost completely fused and mixed with the Caffres. Before I left I told the Caffres that our Great Chief wanted them to stay on the other side of the Bushmans River and we on this side. They were surprised at this and not very satisfied, asking what harm had they then done? After travelling for another half hour passed the first stock-farm, belonging to a certain Rautenbach where there was a European foreman who lacked everything. The moon rising, I chose to travel on in the coolness. Went in a half-moon from the north north-west to the west by north. After travelling for three hours we passed the stock-farm of a certain Kok which had some Hottentots on it. We had the high ridges closer to our right hand side and a low dense forest of thorns and other shrubs. A stream flows from these high ridges, which is generally dry. It is called the Cournou, which means 'narrow thorn river', and runs west beside the ridges for about six hours then south-east into the Sudays River. Stayed travelling beside the same, generally on the left bank, crossing it two or three times, and after an hour, having ridden this undergrowth, we arrived at a plain where we saw two large herds of buffalo. There were three grazing alone and we wounded one bady in the chest. It ran into a thicket however and we dared not follow it in the dark. After travelling on for a good hour we outspanned at this river which flows out here at the place called Aas Cou, or 'yellowood thorn-tree', There was thunder this evening, far distant in the north. We also saw some lightning in the evening but got none. When we were a few hours from Rautenbach’s farm we came onto a sandy road for half an hour so that for the first time inland our wheels sank under sand. Our rout was seven hours with a turn from the north north-west to the west, mostly hard white-grey clay, grassy soil and undergrowth. Hilly country.