Journals

Fourth Journey (MS 107/3/1-2)

23rd October 1779


transcription

[23rd October 1779]
23

't selfde weer.

toenema sei wy souden na een plaats een half myl aan dese syde hosabees euntanies genaamt, over de klippen, sonder vlot maken kunnen doorgaan; vertrokken deselfde coers, langs de rivier en na twe uren, quamen aan die plaats daar wy sonder verder als tot de heupen nat, en meest tot aan de knien door kwamen, met de draagossen onafgepakt. omtrent middag waren over zyde zynde drie spruiten gepasseert, eerst de rivier alles vol klippen makende het midden weer een soortgelyk eiland, vond in de klippen een doodshooft.
[in margine:] sag een grote trop buffels over de rivier. de eerste die aan deze zyde van africa sag. synde er te voren egter in die streek geweest dog verjaagt en gedoodt.

[page 2]
sag vandaag veel oliphants en rhinosterspoor en een trop van omtrent 8 koedoes meest bullen, hebbende de koeyen geen horens.
dit dier heeft kleinder en ronder spoor als een gems of hartebeest. als een zeekoey de kop uit steekt hoort men twe geblasen kort naeen de eerste is 't hardst hy blaasd de lugt uit en dan doet hy een goede haal na binnen voor provisie
sond een hottentot na de wagen te rug om iets dat vergeten had, hy vertelde my dat er een hele trop oliphanten even na ons vertrek enige rhinosters en een leeuw digt by de wagen geweest waren, hebbende zy de gansche nagt ongerust geweest en vur gemaakt, sommige van onse trop seiden ook een leeuw gehoord te hebben, en sie nu dat de reden dat toenema hier uitspande was dat hy bang voor de oliphanten was. en schoon 't schoonste maanligt, niet door de bossen te gaan. wy bleven om de hette tot vier uren in het geboomte, zynde het sand in de droge spruiten langs de rivier so heet, dat ik het aan myn blote voeten onmogelyk verdragen kon en my reël brande
om vier uren vertrokken wy langs de regter oever der rivier dog hier omtrent hosabees syn de hoge klipheuvels digt aan de rivier, draayden daarom door die koppen, een goed uur van de rivier en leiden ons aan de rivier onder een rasyne boom neder,
sagen een uur voor son van verren een kamelepaardalis, en enige koedoes, (veel cameel oliphants en rhinoster spoor, ook vele kokerbomen.) vond hier ook enig cristal daar een blaauwe streep door liep en ook rood. zyn nu een half myl voorby hosabees de plaats hiet gariep eis. synde garies neus, om het stompe eilandtje en de rivier is hier weer alles klip en in verscheide takken verdeeld, lopende een spruit agter een heuvel om. en heeft veel helling. na wy hier een uur geweest hadden hebbende onse bosjemans verscheide vuren aangestoken, hoorden wy een groot geschreeuw onder de bosjemans die riepen dat er vreemt volk kwam om ons te schieten, wy namen ons geweer, en sonden naugaap, om met hen te spreken, kort daarna kwamen er vyf dier bosjemans by ons, die wat tabac gaf zy rokten en gingen weer heen, dog waren in den nagt op onse hoede sy hieten sig de kein eis kraal volk. wierden verder niets gewaar.

Syn nu twe en een halve myl o:z:o: van camaghaap schoon wy seven uren gemarcheerd hebben. alles seer klippig onegale grond. voor donker kwamen ene trop van 10 a 12 bosjemans die by camagha by ons geweest waren, sy hadden eerst de geschotene zeekoeien verteerd.

translation

[23rd October 1779]
23

The same weather.

Toenema said that we could cross over the rocks, without making a raft, at a place called Euntanies half a mile this side of Hosabees. We left on the same route along the river and in two hours reached that place, where we crossed, without un -loading the pack-oxen, and without getting wet above our hips and generally not above the knee. Around about noon we were on the other side, having crossed three streams, at the first where the river, all full of stones made a similar island, I found a skull in the stones
Saw a large herd of buffalo across the river, the first that I have seen on this side of Africa. They were in this region previously however but have been hunted out and killed.

[page 2]
Saw many elephant and rhinoceros tracks today and a herd of about 8 kudu, mostly bulls, the cows having no horns. This animal has a smaller, rounder track than a gemsbuck or hartebeest.
When a hippopotamus sticks its head out, one hears them giving two snorts, in rapid succession. The first is the loudest: it snorts the air out and inhales a good supply breath
Sent a Hottentot back to the wagon for something I had forgotten. He told me that just after our departure a whole herd of elephants, some rhinoceros and a lion had been near the wagon. They had been uneasy all night and had made a fire. Some of our party also said that they had heard a lion and I see now that the reason that Toenema outspanned there was that he was afraid of the elephants, and that even in the brightest moonlight he does not go through the thickets.
On account of the heat we stayed among the trees until four o’clock, the sand in the dry streams along the river being so hot that I could not bear it with bare my bare feet and actually burned myself.
At four o’clock we departed along the right bank of the river. Here, however, around Hosabees, there are high, stony hills close to the river and for this reason we made a turn through the koppies a good hour from the river; and we laid ourselved down at the river under a raisin-tree.
An hour before dawn we saw a giraffe far off as well as some kudu. (Many giraffe, elephant and rhinoceros tracks; many kokerbooms too). Also found some crystal here with a blue stripe running through, and also red. We are now half a mile past Hosabees. The place is called Gariep eis which means Garies’ nose from the small stub of an island here. Once more the river here is all stones and divided into various branches. One stream runs behind a hill and falls away steeply. After we had been here for an hour and our bushmen had lit several fires, we heard a great shout from the Bushmen, calling out that strange people had come to shoot us. We seized our guns and sent Naugaap to speak with them. Shortly afterwards five of these Bushmen came to us, to whom we gavesome tobacco. They smoked and they went away againg; yet we were on our guard during the night. They called themselves the Kein eis kraal people. We did not notice anything further.

We are now two and a half miles east south-east of Camaghaap, although we have walked hard for seven hours. All stony, uneven ground.
Before dark a band of 10 or 12 Bushmen who had been with us at Camagha arrived. They had consumed the dead hippopotamuses before coming.