Journals

Fourth Journey (MS 107/3/1-2)

23rd July 1779


transcription

[23rd July 1779]
23

term: 48 - 70 - 60 met den dag de wind n:w: dreigde regen.
westelyk opstekende met mist wolken, en in het oosten als donder wolken, het geen men hier voor regen tekens houd. wensche morgen nog helder weer te hebben, om op Camies berg te gaan.

[in margin:] gepasseerde nagt moet my iets vergiftigs gestoken hebben, also in myn regter wade een swelling kreeg die my de hele trekker aandeed tot aan de lies en my seer in het gaan hinderde.
vertrokken noord op langs dese rivier; na langs dese hele weg van Piketberg af, sagen wy een menigte bonte krayen, dewelke ook al iets van de Europeaansen verschillen in geluid, en door een witte vlak in de nek en onder de buik, egter de selvde vogel, even dus is het met de mossen hier te lande, dewelke ook iets verschillen van de onsen, dus ook met de menschen. hier omtrent houden cameleons, dewelke wel vyfmaal so groot moeten zyn als die van de Caap, konde er geen van krygen.
arriveerden na vier uren rydens passerende op de helft der weg dit riviertje rydende nu langs de regter oever, en arriveerden in den agtermiddag aan de plaats Caries genaamt weer aan de groene rivier. digt by een legpaats van enen Coetse, enige kleine namacqua hottentotten op die plaats wonende bragten ons melk. vandaag het selvde terrein dog klippiger en hoger ruggens met deselve ronde klippen, vind hier langs de weg veel kwarts en mica gemengd met cos als die by de Caap aan strand dog swarter. dese hoge ruggens schieten uit de hamies berg [sic]. uit en inspringende hoeken regulier. de Heer Paterson arriveerde met den avond komende uit het bokkeveld
schooten verscheide berggansen.
examineerde een sogenaamde jonge duiker, hy heeft geen gal een lange swarte kaale doorsyperende streep onder de ogen vier spenen digt de twe by een twe sakken of plooyen in het vel die niet doorgaan ieder op zy de spenen, de ram alleen horens en een kuifje van lang haar op de kop en kleine hoorne ergots.

translation

[23rd July 1779]
23

Thermometer: 48-70-60.
At daybreak wind from the north west Rain threatened.
Clouds and mist building up from the west and what looks like thunderclouds in the east: these are taken as signs of rain here. Still need to have fine weather tomorrow in order to climb the Kamiesberg.

Something poisonous must have stung me last night causing a swelling behind the knee of my right leg which has spread to the groin and which makes moving difficult. We departed northwards along this river. All the way along the road from the Piketberg we have seen a quantity of pied crows differ to some extent from the European ones in their call, as well as in having a white streak on the neck and under the belly; but in fact it is the same bird. It is the same with the sparrow found in this country, it which differs slightly from ours; as also with the people. There are chameleons around here which are at least five times as large as those at the Cape. Was not able to catch any. Arrived after riding for four hours, passing this river halfway, and now riding along its right bank until we arrived in the afternoon on the farm called Garies, once again on the Groenrivier close to the cattle-post of a certain Coetzee. Some Klein-Namaqua Hottentots who live on the farm brought us milk. Today the same terrain but stonier, with higher ridges and the same round boulders. Along the road find much quartz and mica mixed with Cos, just as on the beaches at Cape Town, but darker. These high ridges jut out from the Kamiesberg, with regularaly advancing and receding angles. Mr Paterson arrived in the evening from the Bokkeveld. Shot various mountain geese. Examined a young so-called duiker. It has no gallbladder; a long, bare, black, oozing streak under the eyes; four teats, each pair close to the other and on each of its teats there are two bags or folds in the skin which end there on opposite sides of the teats. Only the ram has horns and a tuft of long hair on its head as well as small horn [unintelligible word “ergots”].