Journals

Fourth Journey (MS 107/3/1-2)

22nd August 1779


transcription

[22nd August 1779]
22

term 50 - 65 - 53
met den avond wat stofregen.
betrokken lugt n:w: windje.

passeerden de rivier in een uur roejens en vongen enige harders, de hr Paterson ging weer met my na de hottentotten daar wy ons middagmaal hielden met een struisvogel ey en een stuk gebraden zebra vlees, het geen wy medegenomen hadden, en seer goed smaakte schoon de duitse inwoonders het niet willen eten seggende dat het onrein is. deden enige schoten met de bosjemans na een vel, besagen hunne jakhals vallen, en gingen verseld van twe derselver wat ver

[page 22]
der landwaard in alles laag sandig land, als of de zee het verlaten had, de wilden seiden dat er absoluut geen water so ver sy geweest waren was en dat als sy ter jagt gingen sy water in knap sakken ook in blasen van robben medenamen, ruilde er ene daar het water seer wel uit smaakte. draayden na het strand, onderweeg liep een sogenaamde gehoorde slang voor ons uit, vatte de assagaay der wilde en ligte de bos op daar hy ingekropen zynde sat te blasen, hy schoot na de assagaay te gelyk op het yser bytende sloeg hem dood en nam hem me hy was omtrent een voet lang. had twe vlesige knopjes even sigtbaar boven de ogen die met een spleet als katte ogen had, hierom hieten se hier hoornsmannetje dus siet men hoe verkeert kolbe dit dier reëlle horens geeft. boven in den muil heeft hy twe slagtanden ver op zyde de muil en gene sneytanden, sy syn iets krom na onder gebogen verder heeft hy ses kieuwtanden aan ieder zyde boven geen slag of sneytanden onder ook ses kieuwtanden aan ieder zyde veel als een vis iets krom na agter gebogen
men segt hem seer vergiftig te syn. syn couleur is graauw gevlakt, eindigende de punt seer schielyk spits, sagen nog een langere dunne slang, dog konden hem niet krijgen. kwamen aan zee, en vonden de strand het selfde als eer gisteren en geen ene klip, schoon de zee seer brande, de wilden seiden so ver sy geweest waaren had de strand deselve strekking geen rivieren en geene klippen so dat sy om schelpvis over de rivier moesten gaan by laag water, dat zy het geweest waren wiens spoor wy by de koesaas gesien hadden, dat sy toen ook een eland gedoodt hadden. keerden na hunne hutten te rug gaf hun wat tabak, en namen de tekening hunner hutten, keerden met den agtermiddag over de rivier te rug seilende wy met een tamelyke n:w: windje in een half uur, met vele draayen door sand banken so dat wy twemaal vastraakten te rug. dit volk moet mannen vrouwen en kinderen omtrent 20 sterk zyn sy schenen bang te zyn voor hunne kinderen also die meest allen altoos weg waren sy seiden om veld kost te soeken, wortels, bollen, etc.

translation

[22nd August 1779]
22

Thermometer: 50-65-53.
A little drizzle in the evening.
Sky overcast. Light north west wind.

Rowed across the river in an hour and caught some harders. Mr Paterson again came with me to the Hottentots where we had our midday meal of ostrich egg and a piece of grilled zebra meat which we had brought with us; and very good it tasted, although the Dutch inhabitants will not eat it; they say it is unclean. Made a few shots at a hide with the Bushmen. Examined some of their jackal traps; and went, accompanied by two of them

[page 22]
further inland. Low-lying, sandy country everywhere as if the sea had departed.
The savages said that there was absolutely no water for as far as they had been and that when they went hunting they took water in knapsacks, also in seal-bladders. We bartered for one of these and the water from it tasted very good.
We turned toward the shore. On the way a so-called horned snake came out in front of us. I took one of the savages’ assegais and lifted up the bush under which it had crept and was sitting there hissing. It struck at the blade of the assegai and as it was biting the iron I struck it dead and took it with me. It was about a foot long, with two small fleshy knobs just visible above the eyes which had splits like cats’ eyes. Because of this they are known as hoornsmannetjes in these regions. Here one can see just how wrong Kolbe was who gave it two actual horns. In the upper jaw and far to the side it has two fangs slightly bent downwards; it has no incisors. In addition it has six upper molars on each side. No canines or incisors below but also six molars on each side (much like a fish) slightly and slightly bent backwards. It is said to be very poisonous. Its colour is grey and it is flecked. Its tail ends in a sharp point. We saw another longer thin snake but we could not catch it. We reached the sea and found that the shore was the same as the day before yesterday, not a single rock though the sea broke heavily. The savages said that the shore had this same feature for as far as they had been along it; no rivers and no rocks so that they had to cross the river at low-tide to get shell fish. They said that it was their foot-prints we had seen at the Koesaas and that they had also killed an eland then. Returned to their huts, gave them some tobacco and made the drawing of their huts. Returned across the river in the after-noon. We sailed back with a fairly brisk north west wind in half an hour, with many turns through the sand-banks on which twice we ran aground.
These people, men, women and children must be about 20 strong. They appear to be fearful about their children, since most of them were always away, looking for veld-food, they said, roots, bulbs, etc.