Journals

Fourth Journey (MS 107/3/1-2)

14th October 1779


transcription

[14th October 1779]
14.

goed weer deinsige donderlugt wat betrokken. oostelyk lugtje
term: 60 – 79 – 61
vond de hoogte 2360 voet

t vlak en 't hoge namacqua land of schynende lange tafelgebergte, omtrent 1500 voet hoger. met den morgen kwam een rhinoster digt by ons, iteki ging er na toe en schoot hem. was een koei en van de ordinaire grote [in lower margin:] de rinoceros heeft geen galblaas, dat ik nu volmaakt ondersogt heb.
slagte het hele schelet van 't cameeleopard. hadden de tekening volmaakt getroffen.
begroeven de beenderen in de grond, tot onse terugkomst voor de wilde dieren. niets kon de surprise van de bosjemans en einiquas evenaaren, op het sien der tekening, sy seiden dat wy wonderlyke menschen waren, dat sy nu sagen dat ik alles, ćoeroe,(dit was voor namaken en schryven.) en dat sy nu sagen dat ik daarom so ver en heen en weer liep en keek, daar sy te voren geen begrip onder sig van hadden kunnen maken
waren hier byna verdorst, en onse saken verrigt hebbende vertrokken oostelyk aan en spanden na drie uren rydens (het selfde terrein ruig, polgras, haakjes, kruis en cameeldoorns overal.) uit by een

[page 52]
graafwatertje dat brak was, dit droge riviertje hete Gamsei.
wilde er niet afreiden, omdat wy dan door een klippig pad en weer terug met de wagen moesten, dog liet ons dorstig vee en menschen na het graaf water (een uur verder) dat sy uitgraven moesten gaan en bleef met iteki en Schoemaker, alleen by de wagens sond de halfaam om water, en al ons volk quam met het vee en het vat half vol water, middernagt weerom.
sy hadden een leeuw gespoort; wy sagen van daag twemaal een klein tropje coedoes, die de einiquas geib. hieten: en enige Zebras, veel rhinoster cameel en oliphants, vars spoor. ik ging onder een hoge cameeldoren, die even een bloem als de mimosa heeft dog een ander blad, wel veertig voet hoog en Schoemaker maakte boven de wind een vuur om vlees te braden. het geen dit dorre velt dusdanig, met de frisse weste wind, in den brand stak, dat wy moeite hadden het te blussen, anders sou de gansche wagen hebben kunnen verbranden. wy smeten er sand op en sloegen het met groene takken der mimosa op. het lang tafelgebergte schiet nog voort aan oversyde en het gelyke lager land aan dese syde der rivier.

translation

[14th October 1779]
14

Good weather. Hazy, thundery sky. Somewhat overcast. Easterly breeze. Thermometer: 60-79-61. 
Found the height at: 2360 feet. The plateau and the high Namaqualand or long, sloping table-top mountain-range about 1560 feet higher.

A rhinoceros came close to us this morning. Iteki went up to it and shot it. Was a cow and of the usual size. [in lower margin:] The rhinoceros has no gall-bladder, as I have now fully investigated

Cut up the whole skeleton of the giraffe. Established that the drawing was accurate. On account of wild animals buried the bones in the ground until our return. Nothing could equal the surprise of the Bushmen and Einiquas on seeing the drawing. They said that we were amazing people and that they now saw that I could “coeroeo” everything (this means imitating and writing.) and that they now saw why it was I had walked so far, backwards and forwards, looking, because at first they could make no sense of this.
We were almost dead from thirst here and having accomplished our tasks departed easterly and after three hours’ travelling outspanned at a brack excavated water-hole. This dry rivulet is called Gamsei (The same terrain, bushy, tuft-grass, hook-and cross-grass and camelthorns everywhere).

[page 52]
Not wishing to ride down because we would then have to travel there and back with the wagon over a stony path, I let my thirsty men and animals go to the waterhole (an hour ahead). They were to dig it out while I stayed with Iteki and Schumaker alone at the wagons. Sent the half-aum barrel for water; and all our people came back at midnight with the animals and the barrel half full of water. They had tracked a lion.
Twice today we saw a small herd of kudu, which the Einiquas call geib, and some zebras, many rhinoceros and the fresh tracks of giraffe and elephant. I went under a tall camelthorn tree which has a flower just like the mimosa but a different leaf. It was a good forty feet high. Schumaker made a fire upwind to grill meat. With the fresh westerly wind it set fire to the parched veld so that we had difficulty putting it out, otherwise the whole wagon could have been consumed. We threw some sand on it and hit it with green mimosa branches. The long table-top mountain range still runs ahead on the other, and on this side the lower, more level country continues.